Archief voor de ‘roommates’ Categorie

en soms gaat alles vanzelf op baxterdag

ok, ik moest lang in de wachtkamer zitten.

En ik had de middelste zetel in de kamer – niemand zit daar graag omdat ge dan precies de worst in de hotdog zijt ;-)

Maar ik had een ervaren verpleegster, een échte prikster.  Die niet gaat zitten zagen over hoe fijn mijn aders zijn of hoe moeilijk je ze ziet.

Niks van dat. ‘Op uw hand prikken ?  Welke hand ?  Ik zal eens zien se.’

Ze bekeek mijn hand, duwde even met haar vinger tussen de knokkels van wijs- en middenvinger, verwittigde mij dat het prikske deze keer ‘vree veel zeer’ zou doen en de katheter zat op zijn plaats.  Zo ! Van de eerste keer !

En ja, het prikje deed meer pijn dan anders maar nu ook niet zo dat ik zelf van ‘vree veel zeer’ zou spreken. Baxter was direct aangekoppeld en nét na het middageten kon ik naar huis.

Zo simpel kan het dus ook zijn.

En mijn verpleegster : die was helemaal van slag toen ik zei ‘goh, u kan niet geloven hoe gelukkig ik ben dat het van den eerste keer gelukt is’

Maar ja, als het goed is, zeggen we het ook he.  En één gaatje op baxterdag, dat verdiende een bedankje !

met moeke naar het ziekenhuis

Omdat er in november een paar feestdagen zijn, werd mijn baxterschema aangepast.  In plaats van op dinsdag, mocht ik pas op vrijdag mijn dosis energie gaan halen.  Die paar dagen verschil waren wel degelijk te voelen : ik was uitgeput, had de nacht ervoor weinig geslapen omdat alles weer pijn deed en was ook behoorlijk prikkelbaar.  Ik had een goed boek meegepakt naar het ziekenhuis én hoopte dat ik met wat geluk een paar uurtjes in slaap zou vallen.

Had ik me daar misrekend !!

Het begon nochtans veelbelovend : een joviale goedgemutste verpleegster die bijna blindelings de naald in mijn ader prikte én als extra een pompje ipv een gewoon infuus, zodat ik er al na exact 4 uur vanaf was.

Ik had me knus geïnstalleerd met mijn boek op mijn schoot en een drankje naast mij op het tafeltje en wilde net beginnen lezen toen er twee dames de kamer binnenkwamen : een vrouw van een jaar of 35 en een oudere vrouw die blijkbaar haar moeder was.

Nu gebeurt het wel meer dat mensen iemand meebrengen om hen gezelschap te houden maar dit was toch wel een beetje speciaal.

In eerste instantie dacht ik dat de oudere dame de patient was maar het bleek om de jonge vrouw te gaan.  Zorgvuldig werd ze door haar moeke in de zetel gezet.  Moeke nam de afstandbediening van de zetel en was bijna een kwartier bezig voor haar dochter zei dat ze goed zat.

Ik  had instant medelijden en dacht bij mezelf dat de dochter er waarschijnlijk heel erg aan toe was.  ‘Kanker’ dacht ik.  ‘Ze is waarschijnlijk zo ziek van de chemo dat ze hulp nodig heeft van haar moeder’

Een beetje daarna kwam de verpleegster om ook haar haar baxter te geven.  En toen begon het : ze was zéker en vast de ziekste persoon die ze ooit in het ziekenhuis gezien hadden.  Niémand kon ooit zoveel pijn gehad hebben als zij.  En moe dat ze was, dat had nog nooit iemand meegemaakt.  ‘Pijn, pijn, van ‘s morgens tot ‘s avonds’ zei ze.   Omdat ik al zo kregelig was, moest ik moeite doen om mijn mond te houden want door mijn hoofd flitste het van ‘dan mag je blij zijn dat je ‘s nachts niet moet wakker liggen van de pijn, dat je geen slapeloze nachten kent waar je niet weet hoe je je moet draaien omdat het toch altijd weer een slechte houding is’.  Gelukkig beet ik op mijn tong en slikte mijn woorden in.

Toen roommate nummer 2 arriveerde (die wél kanker had en al in een vergevorderd stadium), begon ze ook tegen hem haar klaaglitanie af te steken.  Ja, ja, zij kreeg om de paar maanden een magnesiumbaxter omdat ze de ziekte van Crohn had en haar lichaam daardoor geen magnesium uit voeding of supplementen kon opnemen.

Ik viel bijna uit mijn stoel !  Niet dat ik de effecten van de ziekte van Crohn wil minimaliseren.  Ik ken mensen die deze ziekte hebben en weet heel goed hoe pijnlijk de ziekte kan zijn en hoe deze ziekte je leven kan beïnvloeden.  Maar om nu te zeggen dat deze ziekte erger is dan kanker ?   Uiteraard loop je er je hele leven mee rond.  Het is niet te genezen maar langs de andere kant is het wel behandelbaar, wat je van sommige soorten kanker niet kan zeggen.

Enfin, laat ons zeggen dat ik het weinig fijngevoelig vond.

Intussen zat haar moeke op een stoel een boekje te lezen.  Toen dochterlief ook wilde lezen, nam moeke een boekje uit haar tas en vroeg aan dochterlief op welke pagina ze het boekje moest opendoen.   Ik fronste mijn wenkbrauwen maar deed er het zwijgen toe.

Plots kreeg dochterlief zin in koffie en toen was ik helemaal stomverbaasd.  Moeke ging koffie halen.  Tot daar was het nog vrij normaal.  Maar toen !!  Moeke deed suikertjes in de koffie.  Of liever : moeke deed op bevel van dochterlief 1 suikertje in de koffie, roerde toen in de koffie, mocht er dan 1 melkje bijdoen waarna ze nog eens moest roeren en dàn pas mocht het tweede suikerklontje in het kopje.  Nadat moeke voldoende geroerd had, begon dochter van haar koffie te drinken.  Moeke ging terug braaf op haar stoel zitten.

Zo ging het de hele tijd door.  Dochter kreeg iets in haar hoofd en moeke moest het uitvoeren.  Zélfs toen dochter naar het toilet moest, moest moeke het licht gaan aandoen (jawel !)  en toen ze terugkwam moest moeke de stoel terug afstellen.

Rond een uur of elf was de behandeling van roommate 2 afgerond en mocht hij naar huis.

Een beetje later was het tijd voor Blokken op tv.  Ik hààt Blokken.  Ik word vreselijk ambetant als ik de stem van Ben Crabbé nog maar hoor en zijn grapjes vind ik eerder irritant dan grappig.

Maar moeke wilde Blokken zien.  Dus zette ze de tv aan, het geluid werd opgevoerd zodat ze goed kon horen en moeke installeerde zich in de comfortabele zetel die roommate nr 2 net leeggemaakt had.   Uiteraard werd er aan mij niet gevraagd of ik het goed vond dat de tv werd aangezet.  Of dat het luide geluid storend was.

Maar nog fascinerender dan dit egoïstische gedrag was de gedaanteverwisseling die moeke én dochter ineens ondergingen.  Vanaf het moment dat moeke naar tv aan het kijken was, reageerde ze niet meer op de bevelen of het geklaag van dochterlief.  En ineens kon dochterlief zelf haar stoel verzetten, opstaan om een wandelingetje te gaan doen en waarachtig zelf het licht in de badkamer aandoen.  (het licht uitdoen was blijkbaar moeilijker stelde ik vast toen ik mijn handen ging wassen)

Je kan niet geloven hoe blij ik was toen mijn pompje in alarm ging en mijn baxter leeggelopen was !  Ik kon niet snel genoeg weg zijn uit die kamer en was plots heel blij dat mijn ouders al heel vroeg zelfstandigheid stimuleerden en niet voor het minste en geringste naast mij stonden om te helpen.

 

 

 

Hoe lang blijf jij nog ?

Dinsdag, een uur of 8.  Ik zit in de wachtzaal van de dagkliniek te wachten tot ze mij komen halen om mijn baxter aan te prikken.  Naast mij zit een vrouw van een jaar of 60.

‘Hoe lang blijf jij nog ?’  vraagt ze plots aan mij.  ‘Euhm, tot een uur of 1, denk ik’ was mijn antwoord.  En gelijk ging het door mijn hoofd : wat is dat nu voor een vraag.

Bleek dat ze iets anders bedoelde, maar dat begreep ik pas na haar monoloog.

Dat ze een jaar of 3 geleden voor de allereerste keer in haar leven ziek werd.  Buikpijn en ook wat rugpijn.  En omdat het maar niet beter werd, ging ze naar de huisarts.  En van de huisarts ging het naar het ziekenhuis.  Waar ze kanker vaststelden.

De kanker zat op haar longen en er moest een deel van haar longen weggenomen worden.  Daarna zou er eventueel bestraling en chemo volgen had de specialist haar gezegd.

Maar tijdens de operatie zagen ze dat er uitzaaiingen waren op haar ruggegraat.  Die ze dus niet konden wegsnijden.

Dus werd ze bestraald.  En kreeg ze chemo.  2 keer per week een dag in het ziekenhuis.  Daarna minstens een dag doodziek zijn.  En met wat geluk één dag per week dat ze zich een beetje goed voelde.

Maar ze leefde.  En dat was belangrijk.

Tot een week geleden.  Toen ze plots heel erg begon te voelen dat de kracht in haar benen afnam.  En dat er ook stukjes van haar been gevoelloos werden.  De kanker op haar ruggegraat had zich verder uitgebreid en kon niet meer afgeremd worden.

‘Ik blijf hoogstens nog 3 weken’ zei ze.  ‘Nu ja, dat is wat de dokter mij vertelt.  Persoonlijk denk ik dat ik nog maar een week blijf.’

Ik moest slikken.  Ik hoop dat ik nog heel lang mag blijven.

Ontnuchterend

Vorige week was het weer van dat : richting dagziekenhuis voor een magnesiumbaxter.

Voor ik vertrok hoopte ik vurig dat ik deze keer collegae magnesiumzuipers zou hebben.  De laatste beurten met mensen die chemotherapie moesten hebben, liggen me nog altijd zwaar op de maag, ziet u.

En jawel mijn wens werd vervuld : ik deelde een kamer met 2 magnesiumdame’s.

Eerst waren ze wat stilletjes maar na een tijdje kwamen de tongen los.

Bij de eerste hadden ze sinds kort fybromyalgie vastgesteld.  Ze kwam voor haar tweede magnesiumbaxter.  Een groentje dus.

Maar wel een groentje waarbij ik menig keer mijn wenkbrauwen optrok.  Vooral toen ze volgende vraag stelde : “en wat moet je nu doen om voor altijd thuis te mogen blijven ?  Want mijn dochter krijgt haar tweede kindje en dan kan ik de ganse dag op mijn kleinkinderen passen”

Ik màg niet thuisblijven.  Ik moét.  Want als ik het voor het kiezen had, zou ik terug aan de slag gaan.  Mijn maag keert om als iemand dergelijke vragen stelt.

De dame naast mij was dan weer een habitué.  Zij had fybromyalgie gecombineerd met CVS.  Op zich is dat al erg genoeg maar daarbovenop had ze een verlamde arm en spitsvoeten waardoor ze zo goed als afhankelijk was van een rolstoel (enkele stapjes waren mogelijk maar vroegen een extreme inspanning).  Praten ging maar regelmatig moest ze even rusten om te bekomen.   Ze kreeg al jaren magnesiumbaxters en door allerlei omstandigheden had ze intussen ook al veel specialisten ‘versleten’.  Ze had maanden geleden een intake-gesprek gehad bij dokter T.  Maar omdat dokter T na enkele weken ziekenhuisarbeid er al gillend vandoor gegaan was, was ze nu in behandeling bij mijn specialist.
Nu ja, ze had dokter G. eigenlijk nog nooit ontmoet maar wist dat zij de patienten van dokter T. overgenomen had.

Ik vond haar een heel moedige dame.  Zeker toen ze vertelde dat ze 3 prachtige kinderen had en 3 kleinkinderen.  Enige minpunt : haar jongste dochter was ook een CVS-patiente.  Met fybromyalgie.  En spasmofilie.  Daar was ze behoorlijk droevig over omdat ze zelf de ellende van deze ziektes maar al te goed kent.

Toen was het mijn beurt om te vertellen.  Ik dreunde snel mijn lijstje van mankementen (CVS/ME, fybromyalgie, spasmofilie en ziekte van Tietze voor wie het nog niet wist).  Daarna vertelde ik de dingen die ik nog allemaal kan, ondanks mijn tegenstribbelend lijf.
Immers, ooit in een sessie cognitieve gedragstherapie leerde ik dat het beter was om blij te zijn over alles wat je nog wél kan, dan triest te zijn over alles wat je niét meer kan.  Deze gedachte hou ik altijd in mijn achterhoofd.
Dus vertelde ik over mijn handwerkjes en over mijn kookexperimenten.  Uiteraard gekruid met alle stommiteiten die mij overkomen omdat mijn concentratievermogen af en toe niet veel waard is.

Enfin, ik probeerde een zo positief mogelijk verhaal op te hangen.  Ik had echt medelijden met de dame naast mij en prees mij gelukkig dat ik er dan toch nog niet zo slecht aan toe was.  Ik vroeg me af hoelang de dame aan de overkant het oppassen op haar kleinkinderen nog zou aankunnen en had al van tevoren medelijden met haar omdat ze ooit gaat moeten toegeven dat dat te zwaar voor haar is.

Kort gezegd : ik voelde mij nog in redelijk goede staat vergeleken met de andere dames.

Mijn baxter was het snelste doorgelopen en na het middageten nam ik afscheid van beide dames.  Dame 1 zei : “sterkte en tot ziens”.  Dame 2 zei : ” heel veel sterkte madammeke want gij zijt er nog veel erger aan toe dan ik.  En ik weet dat zenne : mijn dochterke heeft hetzelfde als gij en die moet ook zo haar best doen”.

Ik vind zelf begot dat het al bij al nog meevalt met mij.  Ik kan nog elke ochtend uit mijn bed en ik haal meestal de avond zonder extra pijnstillers (boven mijn normale dosis weliswaar).   Ik had het gevoel of de hemel op mijn kop viel.  Echt waar.

 

de Polle

Dinsdag was het weer van dat : naar het ziekenhuis voor een baxter vol magnesium.

Ik was eerst op de kamer en vroeg me af wie mijn roommate voor vandaag zou zijn.

Gelukkig niet het bejaarde vrouwmens aan de overkant van de gang.  Die had blijkbaar vanochtend azijn gedronken en uitte luidkeels haar ongenoegen over de wereld, de melkweg en alles wat ze nog meer kon bedenken.

Ik leerde dat ik mij 8 jaar van tevoren op de wachtlijst moet zetten, wil ik ooit een plaatsje in een bejaardentehuis veroveren, dat een stoma kan ontploffen, dat de jonkheid van tegenwoordig verdorven is, dat bankkaarten bedrog zijn want zo haalt een winkelier meer geld van mijn rekening dan ik echt moet betalen, dat iedereen tegenwoordig een haag van 2 meter hoog voor zijn huis wil en ga zo maar door.

U kan u mijn blijdschap niet voorstellen toen mijn roommate binnenkwam.  Een man van een jaar of 50, in zijne ene hand zijn smartphone en in zijn andere hand een lederen tas en een krant.

Vriendelijk vroeg hij of hij voor mij ook een kopje koffie kon meebrengen.  En daarna ging hij rustig zijn krant lezen.

Geen levensverhaal vandaag.  Dat mag ook al eens want ik ben niet onverdeeld gelukkig met het feit dat men de magnesiumzieke altijd op een kamer met een chemozieke zet.

Na een half uurtje ging ik met mijn baxterkapstok naar dokter G, terwijl mijn roommate naar zijn behandelend arts vertrok.

Hij kwam enkele minuten na mij terug in de kamer.  “ik mag al naar huis” verkondigde hij vrolijk.  “nu al ?” was mijn vraag.  “ja.  De verpleegster komt nog even en dan ben ik terug weg”.

Hij zei het heel vrolijk, alsof hij een leuk uitje mocht maken ipv een dag in het ziekenhuis zitten.

Tot de verpleegster kwam.  Bleek dat op de laatste scan te zien was dat zijn kanker uitgezaaid was.  En dat chemo geen enkele zin meer had.

Miljaar.

Anna

In het dagziekenhuis zijn de meeste kamers voor 2 personen.  In tegenstelling tot de ‘normale’ 2-persoonskamers, waar er 2 bedden staan, staat er in het dagziekenhuis in elke kamer 1 ziekenhuisbed en 1 electrisch verstelbare relaxzetel.

Meestal is het zo dat er 1 ‘goede’ patient samen met een ‘zieke’ patient op een kamer ligt/zit.

Aangezien ik tot de jongere groep patienten behoor, neem ik meestal de relaxzetel, maar eigenlijk is het zo dat wie eerst komt de keuze heeft of hij/zij in bed gaat liggen of tijdens de behandeling in de stoel wil zitten.

En ook deze keer had ik mij in de zetel geïnstalleerd.

Iets na mij kwam mijn kamergenote binnen, vergezeld van haar dochter.

‘ons mama moet dat bed niet hebben zenne, die zit veel liever’ zei ze tegen mij.  ‘Mama’ was een keurige dame op leeftijd die duidelijk gewoon was om de lakens uit te delen thuis.  ‘kind, hang mijne jas eens aan den haak.  Kind ga eens koffie halen.’

Nu goed, de dame ging in bed liggen en werd direct klaargemaakt voor een chemokuur.

Ik werd aan mijn baxter gehangen en een tijd lang was het stil in de kamer.

Anna deed rustig een dutje in haar bed, dronk haar koffie op en keek wat rond in de kamer.

Nadat de ziekenhuispsychologe terug weg was, begon ze te praten.

‘Het is heel lief zenne dat die psychologe elke keer langskomt, maar eigenlijk is dat niet nodig.  Ik heb waarschijnlijk nog een maand of twee en dan is het gedaan met mij.’

Ik ben behoorlijk geschokt bij zo’n koude mededeling.  Hoe zou u reageren als iemand zei : ‘Hallo, ik ben Anna en binnen enkele weken ben ik dood’!

En dan vertelt ze :

dat haar man enkele jaren geleden aan kanker overleden is.

dat haar dochter met haar kinderen al sinds haar scheiding terug bij haar ingetrokken is (de kinderen waren toen nog kleuters en zijn intussen al twintigers)

dat zij voor iedereen zorgde : man, dochter en kleinkinderen.

en dat ze een jaar geleden te horen kreeg dat ze kanker had.

Geen kanker waar nog iets aan te doen was.  Daarvoor was het al veel te ver uitgezaaid.

‘Allé nu, ik was nooit ziek of zo.  En ineens op een avond had ik heel veel buikpijn.  De huisdokter kwam en belde direct een ambulance.  Ik dacht nog dat hij mij voor de gek hield, maar een paar uur later lag ik in het ziekenhuis en kwam een dokter mij vertellen dat mijn dagen geteld waren.’

Ze vertelt dat de artsen haar op dat ogenblik nog maar enkele maanden gaven.  Mét chemo hoogstens nog een jaar.

‘Moest het aan mij gelegen hebben, ik had geen chemo genomen.  Als uwen tijd er is, dan moet ge gaan.  Maar mijn dochter he, en de klein mannen.  Die zouden dat niet aangekunnen hebben.  Dus heb ik maar chemo gekozen, zodat ik nog tijd had om hen te laten wennen aan het idee dat de bomma er straks niet meer is’

Ze vertelt het allemaal alsof het de normaalste zaak ter wereld is.  Alsof je ontslagen wordt en mag kiezen of je je opzeg uitdoet of niet.

Op geen enkel moment is ze verdrietig of emotioneel over het feit dat elke dag haar laatste kan zijn.  Ze praat fier over haar kleinkinderen.  Maakt grapjes met de verpleegkundigen en zeurt omdat het eten niet lekker is.

Ah ja, want thuis eet ze nu alles waar ze zin in heeft.  Zoals een friet met curryworst en mayonaise, die ze twee weken geleden met haar kleinzoons ‘s avonds gegeten had (en waar haar dochter niets van mocht weten).  En Chinees !  De dag ervoor had ze haar oudste kleinzoon naar de Chinees gestuurd met haar portemonnee en had ze alles besteld waar ze maar zin in had.   En spijt dat ze had dat ze zo rap voldaan was.

‘Awel’ zegt ze ‘dat is nu het enige dat ik erg vind aan die kanker.  Dat mijn eten niet meer smaakt.’

Ik kon er niets aan doen, maar ik moest lachen.  En Anna lachte mee. Voluit. Tot we allebei tranen in onze ogen hebben van het lachen.

Wanneer ik afscheid neem, wenst ze mij het allerbeste.  Ik doe hetzelfde en ze begint te glunderen. ‘Merci kind’ zegt ze, ‘gij zijt een braveke’

Louis, 80 jaar

Regelmatig moet ik een dagje doorbrengen in het dagziekenhuis.  Ik kies altijd voor een tweepersoonskamer omdat ik graag luister naar de verhalen van mijn kamergenoten.

Eerst was hij heel stilletjes en lag hij maar voor zich uit te staren.  Toen de verpleegster kwam om het infuus te steken, zie hij heel zacht : vandaag is het net 5 jaar en 7 maanden geleden dat mijn vrouw overleden is.  5 jaar en 7 maanden.

Ik las rustig verder in mijn boek want Louis had duidelijk geen zin in een praatje.  Zo stil in de kamer.  Dat voelt zo ongemakkelijk.

Toen kwam de arts van Louis.  Weer zei Louis dat hij zijn vrouw miste en dat de 20ste van elke maand een hel was voor hem.  De dokter speelde erop in en zei dat hij zich niet zo op die datum mocht vastpinnen.  Louis zei niets meer.

Maar toen de dokter weg was en we allebei aan een infuus vasthingen, was er geen houden meer aan.  Louis sloeg aan het vertellen.

Over zijn vrouw die dus 5 jaar en 7 maanden geleden onverwacht overleden was.  Zijn vrouw die altijd met hem mee naar het ziekenhuis ging.  Die alles voor hem deed, zelfs zijn boterhammetjes smeren.

Kinderen hadden ze niet, dat was hen niet gegund.  Maar zijn vrouw verzorgde hem als een kind.  Tot de dag dat ze overleed.  En Roger in een diep zwart gat viel.

Want Louis had nooit iets in het huishouden mogen doen.  Of in de tuin.  Louis moest luisteren naar zijn vrouw.  En dat deed hij.  Hij was de baas over de auto.  En over het gazon.  De rest was het domein van Maria.  En daar kon niet over gediscussieerd worden.

Dus moest Louis op 74 alles leren.  Tuinieren, huishouden, koken, boodschappen doen, naar de wasserette gaan.  En om de 14 dagen alleen naar het ziekenhuis gaan voor zijn infuus.

In het begin waren er de buren die een handje toestaken.  Maar dat duurde niet lang.  Burengeroddel en zo.  U kent dat wel.

Dus na een goed jaar stond Louis er écht alleen voor.

Koken doet hij nog altijd niet.  Boterhammetjes zijn ook heel lekker.  En af en toe op restaurant gaan met zijn nichtje.  En soms, heel soms laat hij warme maaltijden brengen.

Poetsen doet hij ook.  Maar dan oppervlakkig.  Zoals hij zelf zegt : dan kom ik in de hall en ineens zie ik daar de glazen luster hangen.  Met al die tingeltjes en glazen bloemetjes en blaadjes.  En dan peins ik : ons Maria die waste die luster elk jaar in de lente helemaal af.  Dat heb ik nog nooit gedaan.  En ik durf dat ook niet.  Amai, ons Maria zou nogal kwaad zijn als ik die kapot doe.  Ik laat die maar gewoon hangen.  De mensen zien dat toch niet.

En naar de wasserette gaan.  Want ze hadden nooit een eigen wasmachine gehad.  Maria ging elke zaterdagvoormiddag naar de wasserette.  En hij voelt zich te oud om nu nog een wasmachine te kopen en aan te sluiten en te leren welk knopje je moet gebruiken.  En dus gaat hij ook elke zaterdag naar de wasserette.

Louis ziet er inderdaad heel netjes uit.  Mooie kleren.  Propere kleren.  En ik vraag mij af of hij ze dan ook zelf strijkt.  Tot ik besef dat hij kleren draagt waar niet veel aan gestreken moet worden.  Een gebreide trui, een corduroy broek en een hemd waarvan alleen de kraag zichtbaar is.  Aan de kapstok hangt een mooie wollen jas.

Boodschappen doen.  Dat lukt ook.  Al denk ik dat het personeel van de buurtsupermarkt hem heel vaak een handje toesteekt.  Want hij kent ze allemaal bij naam.  ‘de juffra van het vlees weet heel goed wat ik tussen mijn boterhammekes eet en ze zegt mij als ik iets vergeten ben’

Maar de meeste dingen liggen er nog steeds zo bij als bijna 6 jaar geleden.

Het wordt echt wrang wanneer Louis vertelt dat hij intussen al twee keer in het ziekenhuis opgenomen werd.  Eén keer voor een liesbreuk.  Een andere keer voor een nekoperatie.

En elke keer kwam hij thuis in een leeg huis.  Koud, kil en niets eetbaars in de kast.

De buren kan het al lang niet meer schelen.  Ondanks het feit dat de rolluiken 2 weken niet omhoog gedaan werden, komt er niemand informeren of alles in orde is met hem.

En Roger blijft maar vertellen.  Van vroeger en nu.  Alles door elkaar.  Sommige zaken 3 keer.  Of meer.

Tot mijn baxter leeg is.  En ik naar huis mag.  Een warm huis, waar er drie poezen op mij wachten.  En waar vanavond Savooi eten gaat maken voor mij.

 

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.