Gisteren, op een mooie lentedag op de zoveelste sneeuwdag dit jaar, trok ik mijn winteroutfit aan en peddelde te voet naar het ziekenhuis. Best gezellig zo met die opgewaaide sneeuwduintjes, spekgladde trottoirs en een fikse sneeuwbui met wind die van alle kanten lijkt te komen.
Netjes op tijd kwam ik in het ziekenhuis … ah ja, al wie met de auto of het openbaar vervoer kwam stond wel ergens in de file of langs de kant.
Klokslag 8 uur was het mijn beurt. En gelijk wist ik al dat het een pechdagje zou worden. De verpleegster die mij moest aanprikken was er eentje van de ‘vliegende ploeg’. Alle respect voor die dames en heren die inspringen waar het erg druk is, maar mijn ervaring tot nu toe heeft al aangetoond dat zij niet de meest ervaren ‘prikkers’ zijn.
Als ze nog maar naar mijn handen en armen kijken, begint het al ‘oeh zo’n fijne adertjes’, ‘oeh jij bent niet gemakkelijk te prikken’ en dan ‘op uw hand prikken ? Maar dat doet zoveel pijn ‘
Pijn. Daar beginnen ze dan over. Dat fout prikken pijn doet. Nu ja, ik heb àltijd pijn dus een prikje extra zal het echt niet maken. Ik stel hen dan ook gerust dat ik dat niet erg vind. Dat ik weet dat ze soms niet van de eerste keer juist prikken. En dat ik écht het liefste op mijn hand geprikt word en niet in de vouw van mijn arme. 1.omdat ik daar erg gevoelig ben én prikken daar dus wél veel pijnlijker is voor mij. 2.omdat je dan 4 uur aan een stuk met een gestrekte arm moet blijven zitten of je doorprikt je ader.
Prik nr 1 in mijn hand ging al mis : katheter wilde niet opschuiven in mijn ader. Prik nr 2 in mijn hand ook : naast de ader geprikt. Prik nr 3 dan maar in de vouw van mijn linkerarm : zo’n belachelijk venijnige prik waarbij je de katheter elke millimeter voelt opschuiven tot hij diep genoeg zit. Aankoppelen, pomp aanzetten en klaar.
Tot ze rond een uur of 10 mijn pomp kwamen halen (want er was een chemopatiënt toch nog komen opdagen) en mijn baxter aan een gewone ‘kapstok op wieltjes’ hingen.
En toen begon de ellende : mijn adertje dat de hele tijd een constante druk gekregen had via de pomp, moest het ineens doen met normale dingen zoals zwaartekracht en druk etc. En dat werkt dus niet met mijn inferieure aders : ipv 7 druppels per seconde, kwamen er nog maar 3 druppels per 20 seconden uit de infuuszak. Nog een halve infuuszak en dat aan dit tempo : ik zou zeker niet rond de middag naar huis mogen.
Om het allemaal nog wat erger te maken, druppelde er ineens geen magnesium meer uit de infuuszak, maar liep er bloed in de draad. En nog meer bloed. Verpleegster gebeld die met de handen in het haar stond. Letterlijk.
Begint die alle plakker van van arm te halen en met haar vinger wat tegen dat ding in mijn arm te porren. Gek werd ik ervan. Nog eens porren, en duwen en trekken en jaaaah, er kwamen weer een paar druppels uit de infuuszak.
Op mijn voorzichtige vraag of het misschien niet handiger zou zijn om ergens anders te prikken omdat deze ader het duidelijk wel gehad had, kreeg ik een angstige blik en het antwoord ‘wacht nog maar wat af, misschien dat het dadelijk beter gaat’.
Na een kwartier weer hetzelfde probleem. Waarna ze besloot om de katheter door te spuiten om een eventuele verstopping open te maken. Dat is het uur daarop zo’n keer of 5 gebeurd.
Mijn ader was op en mijn geduld ook. ‘ik ga eens zien of ik iemand kan vinden die tijd heeft om u opnieuw te prikken’ en weg was ze.
Na een half uur was ik het beu, belde nog maar eens en daar was ze terug : nog eens doorspoelen maar toen de ader direct terug dichtsloeg, ging ze eindelijk haar kar met materiaal halen om opnieuw te prikken. Ze was doodnerveus dus ik vroeg haar of ze toch geen collega kon vragen om mij te helpen. Blijkbaar durfde ze dat ook niet, dus prikte ze nog eens 4 keer door mijn aders op mijn hand en mijn arm.
Uiteindelijk kwam mijn kamergenote op het idee om ook een verpleegster te bellen terwijl de mijne mij aan het folteren was en heeft zij verpleegster 2 gevraagd of die mij alstublieft wilde helpen omdat zij het niet meer kon aanzien !
Nog meer gepruts, 3 keer door de aders op mijn hand geprikt, nog ne keer door een paar aders op mijn onderarm geprikt, een keertje door een ader in de vouw van mijn linkerarm – waar nog altijd de katheter inzet voor het geval ze geen andere ader konden vinden.
En dan eindelijk : een ader in de vouw van mijn rechterarm. Nu zat ik daar schoon : met mijn twee armen gestrekt, in een ongemakkelijke stoel en een infuus dat ook langs rechts amper wilde doorlopen.
Door al dat geknoei en gepruts zag de vloer rond mijn zetel eruit als de vloer van een slachthuis : overal lag bloed.
Intussen werd het middag. En kwamen ze eten brengen.
‘alstublieft, uw eten. Ik zal het hier op het tafeltje zetten’. Waarop ik : ‘ja maar hoe kan ik nu eten : ik mag mijn armen niet bewegen’. Antwoord : ‘het zijn boterhammen dus koud kan uw eten al niet worden’
3 kwartier later kwamen ze rond om de lege plateaus op te halen : ‘maar mevrouw u heeft niet gegeten’. ‘Nee juffrouw, met 2 gestrekte armen die je niet mag bewegen, gaat dat niet’. ‘oh, ik zal de plateau dan nog efkes laten staan’.
Intussen had mijn kamergenote al wel aangeboden om mij te helpen maar dat menske was zo ziek en had zoveel pijn, dat wilde ik niet. Ik had trouwens na al dat gedoe geen honger meer. Het enige wat ik wilde was dat die infuuszak leeg was en ik naar huis kon.
Intussen was het 13.00 uur en tijd voor de 2de shift : de kamers worden in de voormiddag gebruikt voor chemo en baxters en in de namiddag voor de pijnkliniek.
Ze waren al lakens en dekens komen brengen voor de lege stoelen en schortjes komen klaarleggen voor de nieuwe patienten. Ineens stond Zuster Zuurpruim naast mij. ‘ik heb die zetel nodig’. ‘ja en ? Als u kan zorgen dat mijn infuus sneller loopt, doe het dan, ik wil met alle plezier uw zetel vrij maken’. ‘geen woord meer en ZZ terug naar buiten’.
Eerste patient pijnkliniek komt binnen met ZZ en krijgt uitleg over de procedure. Wanneer de man vraagt waar hij zijn kleren mag opbergen antwoordt ZZ ‘in de kast met nr 214 op, die waar madam haar kastje en haar sjakos voor heeft staan’ waarna ze gewoon de kamer uitstapte.
Ik excuseerde mij bij de oude meneer en zijn mevrouw, legde uit dat ik ‘vastzat’ en toen heeft het oude dametje het kastje opzij gereden. Onthou : al dat bloed lag nog altijd op de grond rond mijn stoel.
Rond 2 uur kwam verpleegster 2 nog eens een kijkje nemen. ‘Oh u heeft nog altijd niet gegeten’. En toen met een rood hoofd ‘oh u kan niet eten, zal ik een boterhammetje voor u maken en u eten geven? ‘ Ik dacht dat ik ontplofte. Ik heb gezegd dat dat niet meer nodig was, dat ik intussen al geen honger meer had.
Elk kwartier kwam ZZ zien of ik al uit haar stoel was. Zonder iets te zeggen. Alleen efkes op de infuuszak kijken en weg.
Toen kwam ZZ met pijnpatient nr 2. Weer uitleg over de procedure, kast aanwijzen. Waarop de jonge vrouw vraagt of iemand het bloed op de grond kan opkuisen want dat ze het toch maar vies vindt dat ze daar met blote voeten moet doorlopen. ZZ draait zich om en trapt het af.
Intussen was ik al beste maatjes met de oude man en zijn vrouw. ‘Hebben we hier niks wat we daar over kunnen leggen’ zei oude man. ‘ah ja’, zei ik ‘daar op de stoel ligt een dekentje klaar voor als mijn stoel ‘eindelijk’ leeg is’. ‘Maria’ zei de oude man ‘pakt die seuze (dialect voor deken) en legt die eens rap over dat bloed’. En Maria deed wat hij vroeg.
Na nog eens honderd keer een gemene blik van ZZ was eindelijk mijn infuus leeg. Nu ja, nog niet leeg maar het darmpje begon weer vol te lopen met bloed.
Eindelijk, om 15 uur, was ik van de naalden en de miserie vanaf.
Vandaag heb ik vreselijke rugpijn van het urenlang stilzitten in een slechte stoel (oh ja, ik kon die dus ook niet verzetten wegens onbruikbare armen), ik heb twee dikke, blauwe handen en de vouw van mijn beide armen ziet paars.
Dat was dus goed voor 1 keer. Als er binnen 2 weken ook maar iets mis gaat, ga ik met mijn baxter de gang op en maak kabaal tot ze mij komen helpen. Of opsluiten op psychiatrie, dat kan ook natuurlijk
wat denkt u ervan ?